Recent nam de Kamer een wetsvoorstel aan dat meer bescherming moet bieden aan het recht op gezinsleven van broers en zussen. De nieuwe bepalingen zijn erop gericht minderjarige siblings samen te houden. Daarnaast wordt voorzien in een omgangsrecht. Deze wetgeving is o.m. van belang bij verblijfsregelingen en jeugdhulp. De aandacht in beleid en regelgeving voor siblings staat niet los van de (internationale) campagne van SOS Kinderdorpen. Hierin wordt gepleit om siblings samen te laten opgroeien.

De nieuwe wetgeving roept veel vragen op, niet in het minst m.b.t. jeugdhulp. In deze bijdrage gaan we hier kort op in. Voor een meer omstandige analyse verwijzen we naar een nakende publicatie. Voor een bredere, multidisciplinaire benadering van siblingrelaties kunnen we het recente boek Broer of zus: de match van je leven. Fairness in siblingrelaties aanbevelen.  

Broers en zussen in de nieuwe wetgeving

Om broer of zus te zijn in het Burgerlijk Wetboek volstaat het om één gemeenschappelijke ouder te hebben. In de nieuwe wetgeving worden kinderen die ‘samen binnen eenzelfde gezin worden opgevoed’ en die een bijzondere affectieve band met elkaar hebben ontwikkeld, gelijkgesteld met broers en zussen.

Het recht van minderjarigen om niet van broers of zussen gescheiden te worden en het omgangsrecht (zie hieronder) kunnen dus ook opgaan voor kinderen in nieuw samengestelde gezinnen en kinderen in pleeggezinnen die juridisch niet met elkaar verwant zijn.

Het recht van broers en zussen om niet van elkaar gescheiden te worden

Het Rechtspositiedecreet (2004) bepaalt dat een minderjarige niet tegen zijn wil kan worden gescheiden van zijn ouders, tenzij een rechterlijke beslissing dat beveelt. Broers en zussen worden hierin niet vermeld. Wél zou een minderjarige in het kader van vrijwillige jeugdhulp zijn vereiste instemming met een verblijf in een voorziening of jeugdhulp afhankelijk kunnen maken van het samen blijven met broers of zussen. Die mogelijkheid lijkt eerder virtueel en is onbestaande voor een min-twaalfjarige die niet tot een ‘redelijke beoordeling van zijn belangen’ in staat is.

Vraag is nu wat het nieuwe hoofdstuk III (Broers en zussen) onder titel IX (Ouderlijk gezag en pleegzorg) in het Burgerlijk Wetboek concreet verandert voor minderjarigen? Aan minderjarige broers en zussen wordt het recht toegekend om niet van elkaar gescheiden te worden, een recht dat in het belang van elk kind moet worden beoordeeld. Het geldt niet voor plaatsingen ingevolge het plegen van een jeugddelict. Om het recht te kunnen uitoefenen, moet men het ook kennen en dit ten laatste op het moment dat het er toe doet. Dat is voor minderjarigen niet gegarandeerd. De nieuwe wetgeving roept ook geen procesbekwaamheid voor hen in het leven.

Een minderjarige wordt niet altijd tegelijkertijd met siblings uithuisgeplaatst. Kan uit het recht ook een recht worden afgeleid om herenigd te worden in een voorziening of pleeggezin, wanneer dit in het belang van elk kind is? Bij de prioritering van een ‘dossier’ moet het team Jeugdhulpregie rekening houden met een eerder geplaatste sibling, zonder dat een minderjarige hieraan een recht kan ontlenen. Het feit dat het gaat om een broer of zus die al gebruik maakt van niet-rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp (NRTJ) geldt als prioriteit voor opname bij dezelfde jeugdhulpaanbieder. We weten niet hoe vaak die prioriteit wordt gesteld.

Een minderjarige kan het recht inroepen in het kader van vrijwillige jeugdhulp t.a.v. de toegangspoort. Uit de instemming met de aangeboden hulp die een scheiding impliceert kan bezwaarlijk een verzaking aan het recht worden afgeleid. Het niet honoreren ervan kan een schending uitmaken van het grondrecht op gezinsleven in hoofde van de Vlaamse overheid. Deze laatste gaf, bij monde van de bevoegde minister, te kennen geen ‘sancties’ te vinden in de nieuwe wetgeving. Zij verwacht dus niet dat de vertegenwoordiger van een minderjarige dit voor een rechter op de spits zal drijven, teneinde een gezamenlijke opvang af te dwingen en/of de Vlaamse overheid aansprakelijk te stellen…

Bij gerechtelijke jeugdhulp wordt aan de minderjarige een advocaat toegewezen. Deze wordt verondersteld zijn belangen te verdedigen. Hij zou dus het recht van de minderjarige om niet van zijn broers of zussen gescheiden te worden kunnen inroepen zowel tijdens de voorbereidende rechtspleging (maximaal zes maanden) als bij de rechtspleging ten gronde. Dit kan samenhangen met het verzet om uit huis geplaatst te worden of met het gegeven dat de uithuisplaatsing van meerdere kinderen in het gezin aan de orde is. Of veel advocaten beroep zullen aantekenen tegen een beschikking of vonnis wanneer er een vermeende miskenning is van het recht, is maar de vraag.

Daarnaast kunnen we ook niet buiten de afhankelijkheid van de jeugdrechter van de toegangspoort. Wanneer hij een uithuisplaatsing wil opleggen moet hij het ‘verzoek’ hiertoe inschrijven op de registratielijst zodat het team Jeugdhulpregie het kan omzetten in één of meer modules NRTJ. Het team selecteert de aanvragen en wijst de plaatsen toe; het rechterlijk verzoek tot plaatsing kan pas na toewijzing in een rechterlijke beslissing worden omgezet. Wat is het rechtsgevolg als een rechter het in het belang van de betrokken kinderen acht om samen geplaatst te worden, maar zijn beslissing in die zin omwille van capaciteitsproblemen niet mogelijk is? De weg naar een pilootarrest hierover door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ligt in principe open, zoals dat ook het geval is voor het capaciteitstekort in het algemeen.

Wat is het rechtsgevolg als een rechter zijn beslissing omwille van capaciteitsproblemen niet mogelijk is? De weg naar een pilootarrest hierover door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ligt in principe open, zoals dat ook het geval is voor het capaciteitstekort in het algemeen.

Bij gerechtelijke jeugdhulp moet de ‘eerste overweging’ bij een uithuisplaatsing pleegzorg zijn. Hoe verhoudt deze decretale bepaling zich tot het recht om niet gescheiden te worden van broers of zussen? Is pleegzorg als eerste optie minder van tel wanneer het ook in het belang van de andere kinderen in het gezin is om geplaatst te worden? Wordt de nabijheid van siblings in een voorziening dan méér in het belang van een kind geacht dan zijn belang bij een setting die meer ontwikkelingskansen en geborgenheid kan bieden (pleeggezin)?

Uitzonderingen op het recht moeten verantwoord kunnen worden vanuit de belangen van de betrokken kinderen. Dit vergt een afwegingskader dat ruimte biedt voor wetenschappelijke inzichten en intervisie. Het moet toelaten om tot gemotiveerde beslissingen te komen waarbij de mening van de betrokken kinderen en jongeren niet veronachtzaamd mag worden. De nieuwe regelgeving neemt de noodzaak van zo’n kader niet weg, wel integendeel. Met het lopende onderzoek aan het Kenniscentrum Gezinswetenschappen van Odisee Hogeschool willen we hieraan tegemoetkomen. In de buitenlandse literatuur vinden we meerdere criteria voor scheiding terug, met dien verstande dat deze meestal enkel betrekking hebben op pleegzorg. Dit roept de vraag op of die criteria met dezelfde gestrengheid moeten gelden voor voorzieningen.

De beoordeling van het belang van een kind gebeurt in concreto. Deze open norm heeft als voordeel dat er geen tegenspraak hoeft te zijn tussen de regelgeving en de concrete behoeften van de minderjarige. Het belang van het kind dreigt evenwel ook het juridisch glijmiddel te worden om capaciteitsgebrek te vergoelijken. Minister Beke stelde in dat verband: “Een onveilige, acute situatie kan ervoor zorgen dat het belang van het kind legitimeert dat er toch tijdelijk afzonderlijk van elkaar geplaatst wordt, als er geen alternatief voorhanden is”. De wetgever ging nogal licht over het ‘scheiden’ bij het bepalen van het recht om niet van broers of zussen gescheiden te worden. Het is niet omdat siblings in dezelfde voorziening verblijven, dat zij ook samenleven, getuige hiervan de uiteenlopende werkingen van voorzieningen met horizontale leefgroepen.

De Vlaamse overheid kan vandaag geen cijfergegevens generen m.b.t. de verblijfsstatus van siblings (wel of niet samen). Dit is een groot manco. Tegelijk moet ook wel de beperking van een dergelijke dataverzameling worden gezien. Hieruit kan immers moeilijk worden afgeleid of en in welke zin het belang van elk van de betrokken kinderen heeft gespeeld bij een scheiding. We kunnen ons iets voorstellen bij de motivering voor een scheiding wanneer één van de siblings in een handicap-specifieke voorziening verblijft. Dit ligt minder voor de hand wanneer het gaat om siblings die verspreid leven in pleeggezinnen en/of organisaties voor bijzondere jeugdzorg. De eenmalige gegevensverzameling die in het vooruitzicht wordt gesteld is hoe dan ook ontoereikend om een evaluatie te maken van de inspanningen van de overheid én de jeugdhulpaanbieders.

Het behoud van persoonlijke contacten tussen broers en zussen

Het grondrecht op gezins- en privéleven waarborgt onder meer het persoonlijk contact tussen broers en zussen, zoals bevestigd in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Strikt genomen moet dit niet worden verbijzonderd in de regelgeving op de jeugdhulp. Uitzonderingen behoeven wel een wettelijke basis. Die vinden we terug in het Decreet-Integrale Jeugdhulp (2013). Op grond hiervan kan een jeugdrechter voor een minderjarige ‘aanvullende voorwaarden’ bepalen die verbonden zijn aan de opgelegde maatregel. Een dergelijke voorwaarde kan onder meer een contactverbod met gezinsleden zijn.

Het Rechtspositiedecreet (2004) kent aan een minderjarige in de integrale jeugdhulp het recht toe op informatie over en op regelmatig persoonlijk en rechtstreeks contact met een ouder, wanneer de minderjarige van deze wordt gescheiden. Dit recht geldt niet wanneer het in strijd is met het belang van de minderjarige of met een rechterlijke beslissing. Daarnaast wordt voorzien in het recht (en niet de plicht) van de minderjarige om bezoek te ontvangen en om te gaan met personen van zijn eigen keuze bij (semi-)residentiële jeugdhulp (bv. een broer of zus). Een beperking van het recht kan voortvloeien uit een rechterlijke beslissing; het bestaat maar voor zover de opdracht en de organisatie van de jeugdhulpaanbieder dit toelaten. Als de beperking van het recht niet voortvloeit uit een rechterlijke beslissing, moet zij uitvoerig worden gemotiveerd in het dossier van de minderjarige.

De nieuwe federale wetgeving geeft aan dat het belang van een kind kan vereisen dat het recht om niet te worden gescheiden, niet wordt uitgeoefend. In dat geval moeten - volgens dit nieuwe hoofdstuk III - de ouders, de pleegzorgers, de rechtbank en ‘de daartoe bevoegde overheid’ het behouden van persoonlijke contacten tussen dit kind en elk van zijn broers en zussen ‘nastreven’. Dit geldt niet wanneer ook dit strijdig is met het belang van het kind. De verplichting hier lijkt juridisch niet in de eerste plaats te wegen op jeugdhulpaanbieders, maar wel op de Vlaamse overheid die hen in staat moet stellen om de contactmogelijkheden te verdiepen of te verruimen.

Daarnaast werd een bestaand artikel in het Burgerlijk Wetboek gewijzigd dat grootouders al langer het recht toekent om persoonlijk contact met een kleinkind te onderhouden. Dat recht kan ook worden toegekend aan elkeen die kan aantonen dat hij met dit kind een bijzondere affectieve band heeft. Met de wetswijziging wordt het omgangsrecht toegewezen aan alle broers en zussen. Zij krijgen op elke leeftijd het recht om persoonlijk contact met elkaar te onderhouden. De afhankelijkheid van een ouder of opvoedingsverantwoordelijke bij jonge kinderen om contact te onderhouden met siblings in de jeugdhulp, maakt dat dit recht eerder relatief lijkt.

Symboolwetgeving

Het is een positieve evolutie dat siblingrelaties op de radar van de wetgever verschijnen. Wie zich aan regelgeving waagt, moet het terrein van de beleidsintenties willen verlaten. De effectiviteit van de nieuwe bepalingen in het Burgerlijk Wetboek lijkt afhankelijk te zijn van goodwill, wat maakt dat vragen moeten worden gesteld bij de slagkracht ervan. Wetgeving die vooral overheden moeten motiveren neigt naar symboolwetgeving.  

De effectiviteit van de nieuwe bepalingen in het Burgerlijk Wetboek lijkt afhankelijk te zijn van goodwill, wat maakt dat vragen moeten worden gesteld bij de slagkracht ervan.

Tot slot

Het al langer bestaande decretale principe dat jeugdhulp contextgericht moet werken leidt er niet per definitie toe dat siblings moeten worden samengehouden, wél dat hulpverleners behoudens ernstige contra-indicaties aan de slag gaan met siblingrelaties. Het potentieel van siblingsrelaties niet verloren laten gaan is een uitdaging, ook buiten de jeugdhulp.

De nieuwe wetgeving kan bij jeugdhulpaanbieders en hulpverleners die al veel langer inzetten op siblingrelaties verontwaardiging oproepen. Het beeld van een jeugdhulp als splijtzwam voor siblingrelaties moet worden bijgesteld, zo blijkt uit ons (lopende) onderzoek. Inspanningen blijven onderbelicht. Zo zijn er voorzieningen die tijdelijk in overtal gaan om siblings samen te houden. Uit focusgroepen met hulpverleners haalden we meerdere goede praktijken rond contact.

De Vlaamse overheid moet zorgen voor een jeugdhulpaanbod dat structureel toereikend is om siblings samen te houden. Samen met de jeugdhulpaanbieders en de cliëntenorganisaties moet zij ook verder werkingen ontwikkelen die meer recht doen aan siblingrelaties.  

De Vlaamse overheid moet zorgen voor een jeugdhulpaanbod dat structureel toereikend is om siblings samen te houden.

Bronnen
1. Alofs, E., Boone, I., Declerck, C., Du Mongh, J., Goossens, E., Senaeve, P., Swennen, F., Verschelden, G., & Wuyts, T. (2021). Naar een coherente rechtspositie van broers en zussen? Fundamentele bedenkingen bij wetsvoorstel nr. 55-780. Tijdschrift voor Familierecht, 3, 58-59.
2. Besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 betreffende de integrale jeugdhulp.
3. Carlé, J., & Put, J. (2020). De relatie tussen jeugdrechter en overheid: op scherp gesteld? Tijdschrift voor Jeugdrecht en Kinderrechten, 3, 126-145.
4. Decreet van 7 mei 2004 betreffende de integrale jeugdhulp.
5. Decreet van 7 mei 2004 betreffende de rechtspositie in de integrale jeugdhulp en binnen het kader van het decreet betreffende het jeugddelinquentierecht.
6. De Kamer (2021). Wetsvoorstel tot wijziging van het oud Burgerlijk Wetboek, betreffende de persoonlijke banden tussen broers en zussen (Parl.St. Kamer 2020-21, nr. 780/11), in plenum aangenomen op 12 mei 2021.
7. Loosveldt, G., & Adriaens, E. (2021). Broers en zussen moeten samen kunnen opgroeien. Juristenkrant, 430, 26 mei 2001, p. 1 en 4.
8. Loosveldt, G., & Van den Bruel, B. (2021). Uit verband gespeeld? Siblingrelaties bij pleegzorg en residentiële jeugdhulp. In K. Emmery, & G. Loosveldt (Red.), Broer of zus, de match van je leven. Fairness in siblingsrelaties (pp. 161-181). Garant.
9. Potemans, J., & Roelandt, A. (2021). Le droit des fratries de ne pas être séparées. Journal du Droit des Jeunes, 401, 21-26.
10. Vlaams Parlement (2021). Vragen om uitleg nr. 722 en 796 van 1 december 2020, nr. 1452 van 26 januari 2021 en nrs. 3150, 3178 en 3190 van 11 mei 2021 aan de Vlaamse minister van welzijn, volksgezondheid, gezin en armoedebestrijding.

Auteur en contactgegevens
Gianni Loosveldt, onderzoeker gezinsbeleid aan het Kenniscentrum Gezinswetenschappen van Odisee Hogeschool, Huart Hamoirlaan 136, 1030 Schaarbeek, gianni.loosveldt@odisee.be, 02/240 68 40

Broer of zus, de match van je leven. Fairness in siblingrelaties

Kathleen Emmery & Gianni Loosveldt (Red.)
Meer info

Gianni Loosveldt I Kenniscentrum Gezinswetenschappen Odisee Hogeschool