De inzet van ervaringsdeskundigheid armoede en sociale uitsluiting was een nieuwe manier van werken en het thema kansarmoede kwam ‘in levende lijve’ binnen op de werkvloer. Het interprovinciaal ondersteunersduo ervaringsdeskundige en methodiekondersteuner, ook voor 1 VTE gefinancierd door het VSPF, startte in augustus 2015 en bereidde deze komst voor met directies en personeel. De recurrente middelen via het VSPF bleken de belangrijkste voorwaarde om te staan waar we vandaag staan. Vernieuwing vraagt heel wat tijd en experimenteerruimte die enkel door voldoende financiële zekerheid kan werken.
Met pleegzorg wil de maatschappij in de eerste plaats nieuwe kansen bieden aan kinderen. Deze kinderen hebben echter niet de kans om bij hun ouders op te groeien, een vorm van kansarmoede die een grote impact heeft op alle aspecten van hun leven. Vaak ligt structurele armoede mee aan de basis van deze uithuisplaatsingen. [2] De belangrijkste uitdaging van de inzet ervaringsdeskundigheid armoede en sociale uitsluiting ligt in het verbreden van de kijk van pleegzorg naar gezinnen in armoedesituaties. Het uiteindelijke doel ligt in het voorkomen van de armoedeval bij de uitstroom van pleegjongeren uit de jeugdhulp. Hoe kunnen we hier doorheen de pleegzorgplaatsing aan werken?
De kijk van ervaringsdeskundigen op de realiteit van pleegzorgsituaties maakt onzichtbare elementen van sociale uitsluitingsmechanismen op basis van kansarmoede zichtbaar. Blinde vlekken zijn normaal, zo werkt een referentiekader. Je kan nu eenmaal niet weten wat je niet ziet, totdat iemand dit voor jou in de kijker zet. Door verschillende perspectieven samen te leggen kunnen ervaringsdeskundigen en collega’s met een verruimde blik aan de slag op cliëntniveau.
Als ervaringsdeskundige was me ooit de vraag gesteld om van een bepaalde familie de bezoeken te begeleiden. De vader kwam geregeld opdagen met een hoge lading stress en ik vroeg me af waar dat mee te maken had. Hij vertelde me dat hij, door geldgebrek, met de bus kwam zonder te betalen. Het was een behoorlijk risico dat die man nam om zijn kinderen te kunnen zien. Het zou de bezoekregeling negatief kunnen beïnvloeden, mocht hij niet meer kunnen opdagen op de afgesproken momenten. Op vlak van middelen of mogelijkheden had hij een beperkte keuze. De mogelijkheid om met te weinig geld aan al zijn plichten te voldoen dwong hem tot zwartrijden en zodoende toch zijn kinderen te kunnen zien en de afspraken van de jeugdrechtbank na te komen. De begeleiders stelden zich niet dezelfde vraag die ik had rond mogelijkheden qua vervoer. Ik vroeg de man of hij een begeleider had bij het ocmw, dat was inderdaad zo. Ik nam contact op met die begeleider en vroeg of hij in aanmerking kwam voor ondersteuning voor die vervoerskosten. Dat was zo, men zorgde daar voor een buzzy-pass. Zodoende kon hij zonder de stress rond het vervoer naar het bezoekmoment komen wat de sfeer aldaar positief beïnvloedde. Uiteindelijk heeft door het pro-actief en outreachend denken en handelen vanuit mijn positie deze cliënt van een bestaand recht gebruik kunnen maken, dit ten voordele van elke betrokken partij in dit verhaal.
Bewust worden van je eigen blinde vlekken vraagt openheid, lef, zelfreflectie en nieuwsgierigheid naar het onbekende. De volgende stap is het integreren van je nieuw verworven perspectief in je werk. Af en toe merk je dat er dan ook nieuwe competenties, meer inzichten en aangepaste werkprocessen nodig zijn om je werking beter af te stemmen op de noden van cliënten. Ook op organisatieniveau biedt de kijk van een ervaringsdeskundige nieuwe perspectieven.
Als opgeleide ervaringsdeskundige vind ik het belangrijk dat we als pleegzorg erover waken om zelf geen factor van uitsluiting te zijn in een bredere maatschappelijke context. Volgens mij kan je daarvoor zorgen via de rechtenbenadering en een kijk op wat de effecten zijn van een maatschappelijk beleid op de verschillende levensdomeinen en wat dit betekent voor een organisatie als pleegzorg. Ik merk dat men weinig zicht heeft op structurele uitsluitingsmechanismen en deze dus ook niet in vraag stelt. Ik geef een voorbeeld rond huisvesting. Artikel 23 van de Belgische Grondwet garandeert dat iedereen het recht heeft een menswaardig leven te leiden en waarborgt economische, sociale en culturele rechten.
Een fundamenteel grondrecht is het recht op een behoorlijke huisvesting. In pleegzorg botst men hier vaak op grenzen. Dit gegeven dient vaak als criterium om een kind al dan niet te laten overnachten bij de biologische ouders. Een slaapkamer te weinig doet een belletje rinkelen om een negatief advies te geven daarin. Een sociale huisvestingsmaatschappij houdt echter geen rekening met een kind in pleegzorg waardoor een gezin geen woonst met voldoende slaapkamers krijgt. Voor de ouder(s) in kwestie is dit een serieuze drempel. De goedkope sociale woning verlaten om een duurdere woning te moeten gaan huren om te voldoen aan de voorwaarden die pleegzorg stelt of akkoord moeten gaan met een negatief advies qua overnachting? Er zijn vergelijkbare pleegzorgsituaties die vaak schrijnender zijn en waar de criteria op vlak van huisvesting anders tegen het licht worden gehouden. Er zijn ook situaties waarbij ouders dakloos worden door het verlies aan inkomen door de plaatsing. Als ervaringsdeskundige vind ik dit een belangrijk signaal om het beleid hiervan bewust te maken. Een vraag die bij me opkomt door stil te staan bij een groot maatschappelijk probleem als dakloosheid is hoe pleegzorg kijkt naar dit probleem voor ouders en pleegzorgers. Wat bij de vele netwerkplaatsingen waarbij armoede en kansarmoede ook om de hoek loert, wat gaat men doen als pleegzorgers dakloos worden?
De nood om proactief en outreachend te denken en te handelen vanuit een rechtenbenadering maakt dat men er niet zomaar omheen kan.
Het lijkt eenvoudig maar de implementatie van ervaringsdeskundigheid vraagt een leerproces van alle betrokkenen [3]. Kruisbestuiving tussen ervaringskennis en de bestaande praktijken en theoretische kennis is nog niet veralgemeend, in geen enkele sector. We moeten dus echt het warm water uitvinden. De inzet van ervaringsdeskundigheid vraagt om een kritische heroriëntering van de manier waarop kennis, expertise en verantwoordelijkheid worden verdeeld én gewaardeerd.
In pleegzorg zien we een evolutie van de zoektocht die oorspronkelijk beperkt bleef tot een goed takenpakket voor de ervaringsdeskundigen en methodiekondersteuners naar de zoektocht naar mogelijkheden voor pleegzorg als actor in kansarmoedebestrijding. De kijk naar kansarmoede werd verbreed: naast individuele noden en uitdagingen van kansarme cliënten worden steeds vaker ook collectieve drempels en structurele uitsluitingsmechanismen gezien. Dit vertaalde zich o.a. in een visietekst ‘Kansarmoede en pleegzorg’ en in actiepunten in het Vlaams Actieplan Armoedebestrijding [4]. Doorheen de jaren werd deze deskundigheid steeds meer ingezet om democratisering van pleegzorg te bevorderen, wat uiteindelijk ook het doel is van de inzet van ervaringsdeskundigheid. De diensten voor pleegzorg leerden stilstaan bij drempels die op micro-, meso- en macroniveau meespelen in de werking en hoe ervaringsdeskundigheid hierin drempelverlagend kan ingezet worden.
In deze evolutie zijn we zowat alle obstakels tegengekomen die samen gaan met de implementatie van ervaringsdeskundigheid: rolonduidelijkheid, wederzijdse blinde vlekken en handelingsverlegenheid, miscommunicatie, ongelijke macht en waardering tussen ervaringsdeskundige en collega’s, onuitgesproken en te hoge verwachtingen, instrumentele inzet van de ervaringsdeskundige, onbewuste uitsluitingsmechanismen. Door meer zicht te krijgen op deze obstakels en samen manieren te ontwikkelen om hieraan te werken slagen we er steeds beter in om de verankering van ervaringsdeskundigheid vorm te geven.
Concrete veranderingen van de inzet van ervaringsdeskundigheid armoede en sociale uitsluiting zien we in elke dienst. Op het individuele niveau zien we dat begeleiders ervaringsdeskundigen makkelijker consulteren voor ondersteuning in begeleidingen en er samen voor zorgen dat er terug meer verbinding tussen begeleiders en cliënten op gang komt. Nieuwe medewerkers krijgen vorming over kansarmoede en de werking met ervaringsdeskundigen. Teamleden ontdekken een nieuwe kijk tijdens casusbesprekingen en zien daardoor weer kansen in plaats van onmogelijkheden. Directies kiezen voor een visie op kansarmoede en pleegzorg en voor competentieversterking van het voltallige personeel. Ervaringsdeskundigen en methodiekondersteuners blijven zoeken naar mogelijkheden om hun expertise rond kansarmoede en pleegzorg te verdiepen en te verankeren.
Op organisatieniveau wordt geëxperimenteerd met de inzet van ervaringsdeskundigheid in instroomteams, in vorming voor pleegzorgers, in het binnenbrengen van het lokaal aanbod voor gezinnen in armoede in pleegzorg. De samenwerking tussen participatiemedewerkers en ervaringsdeskundigen verhoogt en verstevigt de toegankelijkheid in ontmoetingsgroepen, participatieraden en (Vlaamse) dialoogdagen. Er worden materialen ontwikkeld om met teams aan de slag te gaan rond het thema kansarmoede, armoede wordt gezien als onderdeel van de werking diversiteit, er worden vormingsmomenten rond krachtgericht kijken en werken georganiseerd, documenten worden gescreend op drempels, ervaringsdeskundigen capteren signalen van kansarme cliënten en leggen deze op tafel om de toegankelijkheid te bevorderen, etc.
Interprovinciaal organiseren we overleg en intervisies met alle ervaringsdeskundigen en methodiekondersteuners om ervaringen en goede praktijken uit te wisselen, af te stemmen tussen de provincies, visieteksten en sensibiliseringsmaterialen te ontwikkelen en te werken aan onze eigen deskundigheidsbevordering. Waar mogelijk en wenselijk, werken we samen met de partnerorganisatie Pleegzorg Vlaanderen. Ondertussen herkennen we onze werking in het armoedebestrijdingsplan van het Agentschap Opgroeien en zien we dat het thema armoede een uitgesproken plek heeft in de jeugdhulp.
10 jaar ervaring in het werken met ervaringsdeskundigen in pleegzorg heeft ons geleerd dat een aantal voorwaarden belangrijk zijn om deze innovatie kans op slagen te geven. Duurzame financiering is uiteraard onmisbaar als voorwaarde. Daarnaast is erkenning voor deze deskundigheid essentieel, vertaald in een functieprofiel met een duidelijk mandaat en krijtlijnen voor de inzet ervan, door directies uitgezet. Het is eveneens belangrijk om werkprocessen te voorzien om samen met ervaringsdeskundigen aan de slag te gaan rond drempels en uitsluitingsmechanismen die zij capteren om tot co-creatieve veranderingsprocessen te komen. Ervaringsdeskundigen en methodiekondersteuners hebben ook ruimte nodig om de eigen functie te ontdekken en vorm te geven, te experimenteren, uit te wisselen met collega’s uit andere provincies en in overleg met leidinggevenden en directies voor rolhelderheid te zorgen. Alle medewerkers hebben bovendien baat bij intervisie, vorming en professionele ondersteuning. Tot slot is inbedding van onze werking rond kansarmoede binnen het grotere geheel van het armoedebestrijdingsplan van Opgroeien en het Vlaams Actieplan Armoedebestrijding een grote meerwaarde.
De inzet ervaringsdeskundigheid armoede en sociale uitsluiting blijft ook na 10 jaar werken een verrijkende zoektocht naar kansen en mogelijkheden om als pleegzorg een actor in structurele armoedebestrijding te zijn. Met een open geest, onvoorwaardelijk optimisme en een bewuste keuze voor meer sociale rechtvaardigheid, zetten we deze zoektocht verder.
[1] Decreet houdende de organisatie van pleegzorg -Decreethoudende de organisatie van pleegzorg
[2] Decoene, J., De relatie tussen jeugdhulp en armoede. 2025, 192p
[3] Van Steenberghe T., e.a., Ervaring werkt?!, 2020, 152 p.
[4] Vlaams Actieplan Armoedebestrijding 2025-2029
Franky Dautzenberg en Lieve Maesmans, interprovinciaal ondersteunersduo werking opgeleide ervaringsdeskundigen armoede en sociale uitsluiting





